Stel dat de grote held Jueri Jaanson opnieuw zou doen aan de Skiffhead,
zoals in 2002 en 2003, en vóór mij zou starten? Hoe geestig zou dat zijn!! Maar
in 2011 was hij niet…
In 2010 was ik best tevreden met mijn roeien. Ik had veel tijd om op het
water te zijn en ik had in F. een serieuze trainingspartner gevonden. Bovendien
had ik de vriendelijke skiff ´Niels´ ontdekt. De omstandigheden waren kortom zo
gunstig dat ik besloot mee te doen aan de Skiffhead 2011.
Ik had nauwelijks duidelijke ideeën over trainingsschema’s. Ik had van “Roeien
van A tot H” en de afkortingen: ED, ID, et cetera, gehoord, maar meer ook niet.
In december begon ik serieus te trainen: twee keer per week op het water, een
keer op de ergometer. De hele winter door. Twee weken voor de wedstrijd gingen
F. en ik het parcours verkennen. We sloegen oriëntatiepunten in ons geheugen op
en discussieerden over de voor- en nadelen van iedere bocht. Thuis
visualiseerde ik de Amstel en droomde ik over waar ik me ieder moment van de
race op het water bevond. Ik voelde me fit en gretig om er het beste van te
maken.
Als Skiffheaddebutant zou mijn startnummer worden bepaald door loting.
Ik had geen idee tussen welke roeiers ik terecht zou komen. Onzeker wachtte ik het
resultaat van de loting af en toen die bekend werd, ging ik na wat mijn kansen
waren: zou ik de hele race vrij water hebben? Ging ik iemand inhalen? Moest ik misschien
juist wijken?
Met nummer 254 startte ik redelijk achter in het veld. Direct achter mij
zou een Duitse ‘Veteraan E’ van de Lübecker
Ruderklub startten. Iemand van 55 jaar of ouder dus. ‘Moet lukken om die voor te
blijven,’ dacht ik - geboren in 1977 - tevreden. ‘Ook F. gaat mij niet voor de Berlagebrug
pakken!’.
De wedstrijddag brak aan. Na de weging trok ik mijn roeipakje aan,
spelde mijn nummer op en liep naar de trouwe ‘Niels’. Op het vlot stond S. Met
een glimlach vroeg hij me of ik wist wie er achter mij startte. ‘Ja natuurlijk,’
zei ik, ‘een Duitse E-veteraan.’ S. knikte: ‘En zijn naam is Peter-Michael
Kolbe en jij zult heel erg je best moeten gaan doen hem voor te blijven.’
‘We zullen zien, we zullen zien…’ zei ik, terwijl ik nog steeds geen
idee had wie meneer Kolbe nou helemaal was.
Op het water sloot ik aan in de stoet roeiers op weg naar de startlijn. Wachtend
op het begin van de race, zag ik overal om mij heen grote mannen in strakke
pakken en met mooie glanzende boten. En ik lag ertussen, een lichte skiffeur, voor
zijn eerste grote wedstrijd.
Toen werd ik opgeroepen en weggeschoten. Ik voelde me lekker. Iedere haal
telde. Echter na de eerste bocht zag ik al een kleurige muts en een gele skiff
met nummer 255 steeds groter in beeld verschijnen. Ik hoorde ook flarden van de
Duitse aanmoedigingen. ‘Dat zal de heer Kolbe wel zijn,’ dacht ik. We waren pas
bij de Naald en hij haalde me nu al in. ‘Niet teveel wijken,’ dacht ik. ‘Zoveel
mogelijk de kortste lijn blijven volgen. Niet teveel kijken, ik weet waar ik
lig.’ Bij de Rozenoordbrug voer ik nog steeds strak. De Berlagebrug kwam eraan.
Geen spoor van F. Mooi. Op naar De Hoop en daar klonk het eindelijk: ‘Door!’
Ik was tevreden: 63e van de 156 deelnemers. Mijn tijd was 31
minuut 09 seconden. Op 2’48” van de winnaar (28’21”) en 57”
achter F. (30’12”).
Eenmaal thuis ging ik op zoek naar wie Peter-Michael Kolbe was. Wat had hij
gepresteerd in zijn leven? Ik las op Wikipedia het volgende: in de jaren ´70 en
´80 van de vorige eeuw stond hij bekend om zijn rivaliteit met de fameuze Finse
roeier Pertti Karppinen. Op You Tube staan twee films ([1], [2]) waarin te zien
is hoe Kolbe twee keer op rij in de Olympische finale Heren Skiff, op identieke
wijze verliest van dezelfde man. In 1988 werd hij weer tweede, maar toen achter
Thomas Lange [3]. Ik vind het geweldig hoe topsporter Kolbe bleef knokken voor
zijn glorie. Op de Skiffhead 2011 werd hij de 10e, maar hij was hier
in Amsterdam wel de winnaar in 1978 en 1979.
Nee, mijn held Jueri Jaanson gaat ook dit jaar waarschijnlijk niet
meedoen met de Skiffhead, maar de wedstrijd kan wel vol verassingen zijn.
woensdag 26 maart 2014
donderdag 13 maart 2014
Enkele opmerkingen
Enkele
opmerkingen over de afgelopen periode:
- In de Fyra anno 2014 moet je heel vaak staan of ergens op de stoelen bij het ‘balkon’, waar heel veel lawaai is. Daarvoor moet je een extra toeslag betalen. OP een ochtend kwam een meneer binnen om te vragen: “Welke klaas is hier?” Het antwoord van een mevrouw “Ik zou de 3e zeggen…”
- ’s Ochtend neem ik een tas naar mijn werk, waarin je een laptop, eten, kranten of boeken kan vinden. Wat mij iedere keer verbaasd is dat ’s avonds onderweg naar huis, zonder eten en kranten, voelt mij tas veel zwaarder. Luister na je lichaam, zou ik zeggen…
- Op de fiets naar huis wil ik oversteken en een mevrouw op het trottoir stopt om mij eerst te laten gaan. Ik stop zelf en, met een hand beweging, vertel ik haar dat zij als eerste mag. Haar verbaasde reactie: “Oh, u bent de eerste fietser die voor een voetganger stopt!” Wat een gehaast land…
zaterdag 22 februari 2014
Een wonder van een park
Ik
woon voor een lange tijd in de buurt van het Amsterdamse Bos. Best vaak ga ik naar
buiten wandelen. Op een zonnige zondag enkele weken geleden moest ik naar
buiten van N. Maar waar naartoe? Ik had voor een lange tijd de wens om naar de
heemparken in Amstelveen te gaan.
Dus, een klein beetje door het Amsterdamse Bos, daar na door De Braak. Op een moment heb ik besloten naar rechts te gaan en, zonder een echt duidelijk idee, ben ik gekomen bij de ingang van Het Thijssepark. En, tot mijn grote verassing, na meer dan 10 jaar Amsterdam… een wonder van een park!! Zo veel rust, zo veel goede smaak, vogels, bloemen, water, alles klopt in dat park.
In het kort, zoals op de webpagina vermeldt staat: “Het Dr. Jac. P. Thijssepark is een heempark van 5,3 hectare in het noordwestelijke deel van Amstelveen. Het park is ontworpen door C.P. Broerse, en met veel hulp van de Heer J. Landwehr tot stand gekomen. Het oudste deel is aangelegd in 1940, het jongste deel in 1972. Door de stijl, het ontwerp en het gebruik van uitsluitend inheemse planten heeft het Thijssepark bekendheid tot ver buiten onze grenzen gekregen. Fotografen, filmers en tv-ploegen vanuit de gehele wereld hebben het beeld dat de heer Broerse geschapen heeft, verder verspreid. Het gevolg is dat bezoekers van diverse nationaliteiten het park bezoeken. Broerse en Landwehr probeerden in het Thijssepark de natuur niet te imiteren, eerder te sublimeren. Met planten schilderden zij een nieuw landschap, een landschap waarin de kennis en schoonheid van bestaande Nederlandse landschappen besloten ligt. Een ontwerp met oog voor het geheel en aandacht voor het detail. Het Thijssepark bestaat uit vele tuinkamers, ieder met een eigen sfeer. Het gebruik van kleur, textuur, structuur, diepte en lijnenspel in dit park zijn nog steeds uniek. En daarmee neemt het Dr. Jac. P. Thijssepark een bijzonder plaats in de Europese tuingeschiedenis in.”
Ik heb het idee dat dat park iedere dag anders eruit ziet. Morgen ga ik weer naartoe na enkele weken. Ik kijk echt naar uit!
Dus, een klein beetje door het Amsterdamse Bos, daar na door De Braak. Op een moment heb ik besloten naar rechts te gaan en, zonder een echt duidelijk idee, ben ik gekomen bij de ingang van Het Thijssepark. En, tot mijn grote verassing, na meer dan 10 jaar Amsterdam… een wonder van een park!! Zo veel rust, zo veel goede smaak, vogels, bloemen, water, alles klopt in dat park.
In het kort, zoals op de webpagina vermeldt staat: “Het Dr. Jac. P. Thijssepark is een heempark van 5,3 hectare in het noordwestelijke deel van Amstelveen. Het park is ontworpen door C.P. Broerse, en met veel hulp van de Heer J. Landwehr tot stand gekomen. Het oudste deel is aangelegd in 1940, het jongste deel in 1972. Door de stijl, het ontwerp en het gebruik van uitsluitend inheemse planten heeft het Thijssepark bekendheid tot ver buiten onze grenzen gekregen. Fotografen, filmers en tv-ploegen vanuit de gehele wereld hebben het beeld dat de heer Broerse geschapen heeft, verder verspreid. Het gevolg is dat bezoekers van diverse nationaliteiten het park bezoeken. Broerse en Landwehr probeerden in het Thijssepark de natuur niet te imiteren, eerder te sublimeren. Met planten schilderden zij een nieuw landschap, een landschap waarin de kennis en schoonheid van bestaande Nederlandse landschappen besloten ligt. Een ontwerp met oog voor het geheel en aandacht voor het detail. Het Thijssepark bestaat uit vele tuinkamers, ieder met een eigen sfeer. Het gebruik van kleur, textuur, structuur, diepte en lijnenspel in dit park zijn nog steeds uniek. En daarmee neemt het Dr. Jac. P. Thijssepark een bijzonder plaats in de Europese tuingeschiedenis in.”
Ik heb het idee dat dat park iedere dag anders eruit ziet. Morgen ga ik weer naartoe na enkele weken. Ik kijk echt naar uit!
maandag 10 februari 2014
Fyra... zonnetje...
Af en
toe, als ik in de Fyra stap, denk aan de andermans verhalen over stil zitten
ergens middle of nowhere. Op een dag is mij ook gebeurd, vroeg ’s ochtend, ergens
in de buurt van Hoofddorp. Behalve de grappige berichten van de conducteur (een
diesel komt, maar na 45 minuten, etc.), heb ik ook de leuke kant van deze
ervaring gemerkt:
- We zaten buiten in het daglicht, denk hoe het in de tunnel zou zijn geweest.
- Was een zonnige dag, zonder regen of wolken.
- Je kan in de 3,5 uur de zon volgen van een rood bolletje tot een object hoog op de hemel waarnaar je niet kan kijken.
- De meeste mensen hebben een laptop bij zich en kunnen rustig werken.
- Na iedere boodschap van de conducteur gaat iedereen bellen of sms-en.
- Heel veel buitenlanders forenzen tussen Amsterdam en Rotterdam, meer dan je zou verwachten.
dinsdag 28 januari 2014
Kijk eerst in de spiegel
Een
opmerking van een Oekraïense collega maakt mijn analyse van het medialandschaap
nog duidelijker: “Als ze iets over buitenland in de krant schrijven, is het
daar altijd slecht, terwijl hier alles goed loopt”. Voorbeleden: corruptie,
mensenrechten, etc. Wat de desbetreffende journalisten op dat moment niet doen
is om eerst in de spiegel te kijken.
Wat zie je hier, in Nederland?
Wat zie je hier, in Nederland?
- Politici van alle verschillende partijen gebruiken het overheidsgeld voor eigen zaak.
- De rechten van de asielzoekers zijn niet vrolijk van te worden.
- De bankiers frauderen met het geld van de burgers en gaan naar huis vrolijk met een dikke bonus.
- Afluisteren van telefoon en e-mail zijn hier normaal geworden, terwijl Stasi zooo jaren 80 is.
- Men praat over Bulgaren en Roemenen die de banen komen nemen, maar niemand praat over de malafide uitzendbureaus die door Nederlanders gerund zijn.
- Men praat over drugschandalen, maar niemand zegt dat de drugs juist door de Nederlandse jeugd geconsumeerd is.
zaterdag 11 januari 2014
Repetitio est mater studiorum
Mijn basisschool had een grote sporthal waarin vaak handballers en
volleyballers rondliepen. Dit waren, ondanks dat zij nog maar 14 tot 16 jaar
waren, lange, sterke jongens. Als 7-jarige kon ik alleen maar naar boven
kijken; het waren de helden van de school.
In deze sporthal stond ook hoog op een muur en in mooie Romeinse letters geschreven: “Mens sana in corpore sano”[1] (Een gezonde geest huist in een gezond lichaam). In onze sportles gebeurde overigens niet zo veel, meestal wat gymnastiek of lekker een potje voetbal.
Wat heeft dit met roeien te maken? Voor al heel wat jaren geef ik roeiles. Ik ben ook geïnteresseerd geraakt in hoe mensen leren en in de theorie van het roeien. Ik ben in het bezit gekomen van een instructeur- en coachdiploma. Op een gegeven moment vroeg ik me wel af wat het verschil is tussen al die namen: wanneer ben je instructeur? Trainer? Coach? De eerste stop om achter een antwoord te komen, was in de ´Van Dale´ kijken. De definities zijn als volgt: een instructeur is iemand die les geeft. Een trainer is iemand die sporters traint; een oefenmeester. Een coach is iemand die sporters adviseert en begeleidt. Eigenlijk maken ze alle drie gebruik van dezelfde instrumenten, maar hebben ze een net iets ander doel. Voor de ene ´leren´, de ander ´oefenen´ en de laatste: aan wedstrijden meedoen.
Hoe het zit met de kwaliteit van je training? Ongeveer in dezelfde verhouding, zou ik durven stellen. Bewegingswetenschapper Kleshnev zegt in zijn nieuwsbrief van maart 2013 (www.biorow.com): “Er zijn twee belangrijke factoren die de kwaliteit van de roeihaal aantasten: het tempo en de vermoeidheid”. Ga je dus alleen maar hard roeien, dan heb je grote kans dat je alleen maar slechte roeitechniek aan het oefenen bent.
Met andere woorden: als mijn inschatting klopt, dan zijn veel roeiers de meeste tijd bezig met dingen die de kwaliteit van de roeihaal aantasten. Dus wat oefen je dan het meest? Die Repetitio est…? Ja… Helaas… Mijn pleidooi is dan ook te blijven investeren in technisch goed roeien door ontelbaar veel goede herhalingen met weinig kracht, weinig zweet, weinig haast. Heel veel voelen wat je doet. Zo heb je de beste kans dat je de juiste beweging onder de knie krijgt. En niet andersom. De sportieve kant (het zweten) moet zeker aan bod komen, maar er moet een goede balans in zitten. Wil je een intensieve training doen? Geen probleem, maar zorg dat je in de pauzes tussen de blokjes niet ontploft maar technisch blijft roeien. Ook in light. (Ja, ik heb het al vaker gezegd: “Alleen de beste ploegen kunnen paddelen.”) Op deze manier zorg je ervoor dat die verhouding tussen inspannen en goed roeien gezond blijft.
Herhalen, herhalen, herhalen… Wat je oefent, dat ga je leren. Repetitio est mater studiorum…
Tot slot: een rekensom. Stel dat je een (nieuwe) beweging wilt oefenen. De volledige 60 minuten op het water gebruik je om te oefenen op tempo 22. Dat betekent dat je die beweging ongeveer 1.300 keer repeteert. Als je de “10.000 uur-regel”[2] (kort door de bocht) vertaalt naar het “10.000 keer nadoen” voor het leren van een (nieuwe) beweging, dan moet je meer dan zeven volledige sessies aan die beweging besteden. Best veel hé?! Een heel blok om maar één beweging te leren? Zijn er vrijwilligers met doorzettingsvermogen?
[1] Ook de motto van RSC Anderlecht Bruxelles.
In deze sporthal stond ook hoog op een muur en in mooie Romeinse letters geschreven: “Mens sana in corpore sano”[1] (Een gezonde geest huist in een gezond lichaam). In onze sportles gebeurde overigens niet zo veel, meestal wat gymnastiek of lekker een potje voetbal.
Ik liep iedere ochtend een stukje samen met mijn moeder op naar school. Zij
ging daarna rechtsaf en ik linksaf. Tijdens dat korte stukje gaf mijn moeder
mij rekensommen die ik moest oplossen en uit het hoofd leren. Iedere ochtend
weer. En weer. Totdat ik de sommen kende. Wiskunde ging me later nooit meer zo makkelijk
als in die tijd. Mijn moeder zei ook altijd: “Repetitio est mater studiorum” (Herhaling is de moeder van studeren).
Nee, in het Roemenië
van de
jaren ’80 van de vorige eeuw hadden we het niet over zaken als “Carpe diem” of
“Hora est”. Individuele ontwikkeling of promoveren was slechts weggelegd voor
enkelen in de hoofdstad.
Wat heeft dit met roeien te maken? Voor al heel wat jaren geef ik roeiles. Ik ben ook geïnteresseerd geraakt in hoe mensen leren en in de theorie van het roeien. Ik ben in het bezit gekomen van een instructeur- en coachdiploma. Op een gegeven moment vroeg ik me wel af wat het verschil is tussen al die namen: wanneer ben je instructeur? Trainer? Coach? De eerste stop om achter een antwoord te komen, was in de ´Van Dale´ kijken. De definities zijn als volgt: een instructeur is iemand die les geeft. Een trainer is iemand die sporters traint; een oefenmeester. Een coach is iemand die sporters adviseert en begeleidt. Eigenlijk maken ze alle drie gebruik van dezelfde instrumenten, maar hebben ze een net iets ander doel. Voor de ene ´leren´, de ander ´oefenen´ en de laatste: aan wedstrijden meedoen.
Ik heb best wat roeiers gezien die bezig waren met het beoefenen van hun
favoriete sport. De sportbelevenis van de meeste volwassenen is dat in het uur dat
zij op het water zijn, die tijd het liefst wil besteden aan hard werken, aan
zweten. Een algemene opbouw van een sessie bestaat uit kort inroeien, een paar
oefeningen en daarna lekker aan de bak. Naar mijn inschatting ben je op deze
manier maar 30% tot 40% van de tijd bewust bezig met techniek. De rest van de
tijd ben je bezig met “naar zuurstof te zoeken.”
Hoe het zit met de kwaliteit van je training? Ongeveer in dezelfde verhouding, zou ik durven stellen. Bewegingswetenschapper Kleshnev zegt in zijn nieuwsbrief van maart 2013 (www.biorow.com): “Er zijn twee belangrijke factoren die de kwaliteit van de roeihaal aantasten: het tempo en de vermoeidheid”. Ga je dus alleen maar hard roeien, dan heb je grote kans dat je alleen maar slechte roeitechniek aan het oefenen bent.
Met andere woorden: als mijn inschatting klopt, dan zijn veel roeiers de meeste tijd bezig met dingen die de kwaliteit van de roeihaal aantasten. Dus wat oefen je dan het meest? Die Repetitio est…? Ja… Helaas… Mijn pleidooi is dan ook te blijven investeren in technisch goed roeien door ontelbaar veel goede herhalingen met weinig kracht, weinig zweet, weinig haast. Heel veel voelen wat je doet. Zo heb je de beste kans dat je de juiste beweging onder de knie krijgt. En niet andersom. De sportieve kant (het zweten) moet zeker aan bod komen, maar er moet een goede balans in zitten. Wil je een intensieve training doen? Geen probleem, maar zorg dat je in de pauzes tussen de blokjes niet ontploft maar technisch blijft roeien. Ook in light. (Ja, ik heb het al vaker gezegd: “Alleen de beste ploegen kunnen paddelen.”) Op deze manier zorg je ervoor dat die verhouding tussen inspannen en goed roeien gezond blijft.
Herhalen, herhalen, herhalen… Wat je oefent, dat ga je leren. Repetitio est mater studiorum…
Tot slot: een rekensom. Stel dat je een (nieuwe) beweging wilt oefenen. De volledige 60 minuten op het water gebruik je om te oefenen op tempo 22. Dat betekent dat je die beweging ongeveer 1.300 keer repeteert. Als je de “10.000 uur-regel”[2] (kort door de bocht) vertaalt naar het “10.000 keer nadoen” voor het leren van een (nieuwe) beweging, dan moet je meer dan zeven volledige sessies aan die beweging besteden. Best veel hé?! Een heel blok om maar één beweging te leren? Zijn er vrijwilligers met doorzettingsvermogen?
[1] Ook de motto van RSC Anderlecht Bruxelles.
Radio
Naar radio
luisteren vind ik heel leuk. Speciaal in de keuken vind ik het heel gezellig om
de radio aan te doen. Maar af en toe is die radio in de keuken niet zo helder:
de antenne staat niet goed, het weer is bewolkt, etc., in ieder geval kon ik
bijna niet verstaan van wat daar in de uitzending gebeurt. En toch blijft hij
aan staan.
Tot vandaag heb ik niet begrepen wat mijn reden is om hem minuten lang zo te laten doen. Je weet dat hij daar is, maar je hoort eigenlijk niets van wat hij zegt. Maar ik weet het: mijn groot-oma had een radio dag en nacht aan. Ze kon bijna niet meer horen, je moest hard met haar praten. Naar onze regelmatige vragen over de reden dat die radio nog altijd aan stond, zei ze altijd dat ze hem niet kon horen, dus wat maakte het uit.
Erfenis? Ik weet het niet. Ze is boven de 90 geworden en altijd een hele aardige groot-oma geweest.
Tot vandaag heb ik niet begrepen wat mijn reden is om hem minuten lang zo te laten doen. Je weet dat hij daar is, maar je hoort eigenlijk niets van wat hij zegt. Maar ik weet het: mijn groot-oma had een radio dag en nacht aan. Ze kon bijna niet meer horen, je moest hard met haar praten. Naar onze regelmatige vragen over de reden dat die radio nog altijd aan stond, zei ze altijd dat ze hem niet kon horen, dus wat maakte het uit.
Erfenis? Ik weet het niet. Ze is boven de 90 geworden en altijd een hele aardige groot-oma geweest.
Abonneren op:
Posts (Atom)